Menu

  • Home
  • Nieuws
  • Majuso
  • Judo
    • Wedstrijden
    • Exameneisen
    • Judo-Etiquette
    • Technieken
  • Jiu-Jitsu
  • Agenda
  • Contact
  • Archief

Onze Sponsors

Banner
Home Judo Technieken
Woordenlijst Afdrukken E-mail
  • A
    Age - oplichten
    Ago - kin
    Aikido - zelfverdedigingsmethode
    Arashi - storm
    Arigato-gozai-masu - dank u wel
    Asahi - opgaande zon
    Ashi - voet , been
    Ashi-barai - voetveeg
    Ashi-garami - been-verdraaiing
    Ashi-gatame - houdgreep met de benen
    Ashi-gurmuma - been wiel
    Ashi-waza - beenworpen
    Atama - hoofd
    Ate - slag
    Atemi - slagen en stoten
    Awasete-ippon - tezamen een punt
    Ayumi ashi - gaan, lopen, voortbewegen
  • B
    Banzai - uitroep: 'hoera!'
    Barai (harai) - weg vegen, weg maaien
    Basami (hasami) - schaar
    Bojitsu feodale - gevechtskunst
    Budo - krijgskunsten
    Bushido - erecodewetboek van de japanse krijger, ridder
    Butsu-kari - met explosieve kracht inzetten, terwijl uke weerstand biedt
  • C
    Cha - bruin
    Chiisai - klein
    Chikara - kracht
    Chusen (hasami) - door loting
  • D
    Daki (kakae) - omarmen
    Dan - graad in krijgskunst
    De - vooruitkomen
    Do - weg , romp
    Do-jime - beenschaar
    Dojo - judozaal
    Dori - nemen
  • E
    Ebi (kani) - kreeftbeweging
    Eri - revers, kraag
  • F
    Fusengachi - winnaar door forfait
    Fusen-sho - overwinnaar zonder vechten
  • G
    Gaeshi (kaeshi) - tegen aanval
    Gaeshi-waza - overnametechniek
    Gake - halen
    Gari - maaien
    Garami - gebogen; gedraaid
    Gari - Veeg
    Gesa (kesa) - schuin , revers van kleding boeddhistische monnik
    Gatame (katame) - houden, controle
    Gatame-waza - controltechniek; houdgrepen, verwurgingen, armklemmen
    Geiko - oefenen
    Go - vijf
    Gokyo (gokyo) - vijf groepen/series
    Gonosen-no-kata - vorm van tegenworpen
    Goshi (koshi) - heup
    Goshinjitsu-kodokan - kodokan zelfverdedigingsvorm
    Guruma - rad, wiel
    Gyaku (giaku) - omgekeerd
  • H
    Hadaka - naakt
    Hajime - begin
    Hakama - broek en rok
    Hane - vleugel
    Hansuku-make - verlies door overtreding van de regels, diskwalificatie
    Hantei - oordeel
    Hara - buik
    Harai , barai - vegen
    Hasami - schaar
    Henka - verandering
    Hidari - links
    Hiji - elleboog
    Hiki - trekken
    Hikiwake - onbeslist
    Hishigi - gestrekt
    Hiza - knie
    Hon - fundamenteel, basis
  • I
    Ichi - één
    Idori - geknielde zit
    Ippon - één punt, één zijde, vol punt
    Itsutsu-no-kata - vorm van vijf
  • J
  • Jigo - verdediging
    Jigotai - verdedigingshouding
    Jikan - tijd
    Jime (shim) - wurgen
    Jitsu - techniek, kunst
    Joseki (kamiza) (joza) - ereplaats in dojo
    Ju - zacht, gewillig
    Judo - zachteweg
    Judogi (keigogi) (shim) - judokleding
    Judoka - judobeoefenaar
    Juji - gekruist
    Ju-no-kata - tijd
  • K
    Kachi - winnen door verwonding, ziekte of ongeval
    Kaeshi (gaeshi) - tegenaanval
    Kaeshi-waza - overnametechniek
    Kagami-biraki - nieuwjaarsceremonie in Kodokan/Japan
    Kai (kwai) - gemeenschap
    Kakae (daki) - omarmen
    Kakari-geiko - trainingsvorm, waarbij Uke ontwijkend verdedigt
    Kake - uitvoeren
    Kami - boven op
    Kamiza (jeseki) (joza) - ereplaats in dojo 

    Kan-geiko - wintertraining
    Kani (ebi) - kreeft
    Kano, Jigoro - grondlegger van judo
    Kansetsu-waza - gewrichtsklemtechniek
    Kansetsu (kwansetsu) - gewicht
    Karate - lege hand
    Karategi - karatekleding
    Kata - schouder, type, één kant
    Kataha - vleugel
    Katame (gatame) - houden, controle
    Katame-no-kata (shim) - controle naar vorm
    Katsu (kwatsu) - reanimatiemethode
    Keiko (geiko) - oefening
    Keikogi (judogi) - judokleding
    Kesa (gesa) - schuin, revers van kleding boeddhistische monnik
    Kiai - roepen, kreet
    Kime-no-kata - zelfverdedigingsvorm
    Kimono - Kleding
    Kio (kyo) - beginsel, groep
    Kiri - splijten
    Ko - klein
    Kodokan - judocentrum in Tokio 

    Kohaku-shiai - competitie rood en wit
    Komi - tegen, binnen
    Koshi (goshi) - heup
    Koshi-waza - heuptechnieken
    Koshiki-no-kata - antieke vorm
    Koten shiai - vorm van competitie
    Kuatsu (katsu) (kwatsu) - reanimatiemethode
    Kubi - hals
    Kumi - pakken, grijpen
    Kumi-kata - manier van vastpakken
    Kumite - oefeningen met partnet, vastpakken met de hand
    Kuzure - variatie
    Kuzushi - evenwicht verbreken
    Kwai (kai) - gemeenschap
    Kwansetsu - gewicht
    Kyu - klas, graad, band kleur
    Kyudo - boogschietkunst

  • M
    Ma -rechtuit
    Mae -voorwaarts
    Mae-ukemi - voorwaarts vallen
    Maitta - 'ik geef op'
    Maki - rollen, inrollen, draaien
    Makikomi-waza - inroltechniek
    Ma-sutemi-waza - opofferingstechniek op de rug
    Mata - dij
    Matte - 'wacht', handen terug
    Migi - rechts
    Migi-jigotai - rechtse verdedigingspositie
    Migi-shizental - rechtse aanvalspositie
    Mochi - met de handen nemen
    Mokuso - judozit met concentratie
    Morote - beide handen
    Mune - borst
    Mudansha - een kyu-graadhouder
  • N
    Nage - worp, werpen
    Nage-no-kata - vorm van het werpen
    Nage-waza - werptechnieken
    Ne - vloer; bodem; grond
    Ne-waza - grondtechnieken
    Nami - normaal, gewoon
    No - van het, van de
  • O
    O - groot
    Obi - riem; band
    Ohten - draaien, op de zij
    Okuri - beide
    Osae - vasthouden
    Osae-komi - houdgreep
    Osae-komi-toketa - houdgreep verbroken
    Otoshi - laten vallen, neervallen
  • R
    Ran - los, vrij
    Randori - vrij oefenen
    Rei - buiging, groet
    Renshu - oefenen
    Renraku - combinatie, waarbij de actie de tegenovergestelde richting op gaat
    Rensoku - combinatie, waarbij de actie in dezelfde richting gaat
    Rensoku-waza - vervolgtechnieken
    Rio (ryo) - twee, beide
    Ritsu-rei - staande groet
    Ryu,riu - school, methode
  • S 
    Sabaki - draaien, zich verdedigen; uitwijken, afwenden
    Saika - tanden onderbuik
    Samurai - ridder
    San - meneer of mevrouw achter de naam
  • Sankaku - driehoek
    Sasae - stutten, tegenhouden
    Sensei - leraar, meester in zijn klasse in Japan
    Seoi - rug, op de rug nemen, dragen op de rug
    Shiai - wedstrijd
    Shiaijo - competitieoppervlakte
    Shihan - grootmeester
    Shiho - vier punten
    Shime, jime - verwurgen
    Shime-waza - verwurgingtechnieken
    Shinpan - scheidsrechter
    Shiho - vier punten
    Shisei - lichaamshouding
    Shintai - lichaamsbeweging
    Shizentai - natuurlijke lichaamshouding

    Sode - mouw
    Sono - mama 'niet bewegen', 'liggen blijven'
    Sore made - 'dat is alles'
    Sotai-renshu - oefenen met medestander
    Soto - buiten, buitenwaarts
    Sukui - lepel- of schepbeweging met de hand
    Sumi - hoek
    Sumo - Japans worstelen
    Sutemi - opofferen, zich zelf in gevaar brengen; opoffering

  • T
    Tachi - rechtstechniek
    Tachi-waza - staande techniek
    Tai - lichaam
    Tai-sabaki - draaiende beweging van het lichaam
    Taisho - ploegleider
    Tanden - buik
    tandoku renshyu - alleen oefenen
    Tani - dal; vallei
    Tatami - judomat
    Tate - in de lengte, verticaal
    Tawara - rijstbaal
    Te - hand
    Te-waza - arm-, handtechnieken
    Toketa - verbroken
    Tokui - voorkeurtechniek
    Tomoe - boog; boogvormige hoek
    Tori - aanvaller
    Tori-waza - aanvallende techniek
    Tsuki - stoten, stoot
    Tsuki-ashi - stotende voet, gaan met ingehouden pas
    Tsuri - trekken
    Tsurikomi - naar zich toe trekken en liften  
  • U
    Uchi - binnenwaarts
    Uchi-komi - inzetten zonder de eindvorm
    Ude - arm
    Uke - verdediger
    Ukemi - valbreken
    Uke-waza - verdedigende-, afweertechniek
    Uki - zweven, drijven
    Ura - tegenoverstellen
    Ushiro - naar achter
    Utsuri - wisselen
  • W
    Wakare - rukken, trekken
    Waza - techniek
    Waza-ari - halve punt, wedstrijdwaardering
    Waza-ari-awasete-ippon - tweemaal bijna punt
  • Y
    Yaku-soku-geiko - studieoefening in beweging
    Yama - berg
    Yoko - zijde; zijdelings
    Yoshi - 'vecht' of 'verder gaan'
    Yudansha - drager van een dangraad
    Yusei-gachi - 'gewonnen door overmacht'
  • Z
    Za - zitplaats
    Zarei - zitgroet
    Za-zen - concentratiezit
    Zen - boeddhistische geloofsrichting
    Zubon - broek